Als ik met drie broodjes kroket de wachtkamer van de neuroloog binnen loop, zie ik naast mijn vader en manlief nog een ouder echtpaar met hun volwassen zoon zitten. Ze zien er keurig uit, ik schat in dat ze van gereformeerde huize zijn. De oude man zit in een rolstoel.

Nadat ik de broodjes heb uitgedeeld,  ontstaat een typisch wachtkamergesprek. Het is duidelijk lunchtijd, want de wachtkamer is verder leeg, de gang verlaten en geen arts te bekennen. Net als wij zijn zij ook ruim op tijd aanwezig. Ze hebben hun broodje al achter de kiezen, vertelt de mevrouw.
‘Ik had broodjes gesmeerd, maar die liggen nog op het aanrecht’, verduidelijk ik de broodjes kroket.
‘Ja’, zegt de oudere dame. ‘Iedereen vergeet weleens wat, zeker als je haast hebt.’
‘Of kopzorgen…’, voeg ik er aan toe.
Ik raak een snaar. Ze knikt, terwijl ze richting haar man in de rolstoel kijkt. En in haar ogen zie ik iets opwellen wat ik meteen herken.

Dacht ik in de rij voor de broodjes nog dat mijn empathisch vermogen drastisch geslonken is sinds mijn eigen leven vol zorgen is en mijn hersenen lijken gekrompen tot een klein balletje chaos, bij het zien van die stille, onbewust geuite blik, word ik als een magneet naar haar toegetrokken. Even aarzel ik, maar dan volg ik toch maar mijn intuïtie. Ik sta op van mijn plek, ga naast haar zitten en leg mijn arm om haar schouder. Ik weet wat zij doormaakt en ik heb het bovenal misschien zelf wel nodig even te weten dat ik niet de enige ben die worstelt met een zorgrol. ‘Hij is nu naar het verzorgingshuis’ vertelt ze. ‘Het ging niet meer. Er wordt daar goed voor hem gezorgd’. Ze kijkt me aan met een blik vol verdriet, onzekerheid en aarzeling en zegt:

‘Iedereen schijnt te weten hoe het moet, behalve ik!’

Nu is het mijn beurt om mij geraakt te voelen. Ik weet namelijk precies wat zij bedoelt. Ze had het voor mij niet treffender kunnen zeggen. En zonder het te beseffen, geeft zij mij op dat moment precies wat ik nodig heb.