Selecteer een pagina

‘U weet als u morgen weer naar huis mag ga-aan?’, met een uithaal naar boven. Vriendlief en ik kijken elkaar geamuseerd aan om dit overduidelijke Friesisme van de verpleegster. We zijn op bezoek bij zijn vader in het Medisch Centrum Leeuwarden waar hij een week eerder met spoed is opgenomen met een infectie. Het was even zeer kritiek, maar hij is er doorheen gekomen en mag weer naar huis.

We hebben samen veel lol om de verschillende talen en dialecten die we deze dagen spreken en aanhoren. Vriendlief heeft de grootste schik als hij mij bij groenteboer Bauke in onvervalst Fries om ‘rjappelskiifkes’ hoort vragen. Ik vind het heerlijk, lekker ouwehoeren in mijn memmetael en na twee dagen spreek ik Nederlands met een Fries accent. Ook tot groot genoegen van Mark, die er bijna van begint te kwispelen, zo leuk vindt hij het.

Ondertussen communiceren de ouders van vriendlief in het Gronings met elkoar. Met wat ooms en tantes erbij versta ik daar vrij weinig van, maar voor de grap ga ik af en toe gezellig mee knauw’n en ik vind het wel mooi hoe ze elkaar ‘leiverd’ noemen en ‘neit’ zeggen als ze niet bedoelen. Mark spreekt ook een aardig mondje Gronings en ook met Fries redt hij zich aardig en in het Nederlands is hij welbespraakt wat ook wel handig is voor een theoloog, maar er is nog een andere taal die deze week in het Leeuwardense ziekenhuis veel gesproken wordt en helaas niet zo goed door ons: Frans.

De oudste broer van Mark woont al jaren in Parijs en is ook overgekomen evenals zijn zoon Samir, die maar negen jaar jonger is dan ome Mark en dol op opa en oma met accent aigu op de a’s. Zijn Nederlands is matig, dus of zijn vader vertaald of wij spreken Engels met hem. En zo worden het dagen waarop het haast wel lijkt alsof we in tongen spreken. Maar we redden ons best en de taal van de liefde is uiteindelijk universeel: een knuffel, een kus, een hand op de knie behoeven geen nadere uitleg. Die taal verstaan we allemoal.