Selecteer een pagina

Het is vrijdagochtend. Op mijn wang prijkt een rode vlek ter grootte van een walnoot, die ik met geen mogelijkheid meer aan het rijk der muggenbulten kan toeschrijven. Het jeukt als een malle. Omdat het bijna weekend is, ik ooit eens krentenbaard heb gehad, ik geen idee heb wat het is en of het besmettelijk is, maar ik wel van plan ben om de volgende dag naar de verjaardag van mijn jongste broer te gaan waar mijn lieve neefjes en nichtje ook zijn, besluit ik naar de huisartsenpraktijk te bellen. Na eventjes wachten, krijg ik de nieuwste huisarts-in-opleiding aan de telefoon. Ik ken hem (nog) niet, maar het is duidelijk dat deze nieuwbakken arts nog de nodige enthousiasme kan opbrengen voor huiduitslag en jeuk. Hij leeft helemaal mee: ‘Jeuk is een kloteklacht! Ze zeggen weleens dat het nog erger is dan pijn.’ Ik moet er om grinniken. Treffender kan ik het niet zeggen en zijn nog ongepolijste taalgebruik doet mij goed: Wat het ook is, ik stel mij niet aan! Plus hij heeft goede adviezen waar ik het weekend wel mee door kom.

‘Jeuk is een kloteklacht!’
Ik begin te grinniken: ‘Dat zeg je treffend!’

Het telefonische consult doet me denken aan Tim, één van de voorgangers van deze enthousiaste huisarts-in-opleiding. Zo’n twee jaar geleden kreeg ik hem voor het eerst aan de telefoon. Ik vond het maar niets, zo’n jong broekkie. Ik wilde verdorie de huisarts spreken! Op de bank zat een doodzieke man en ik was compleet uitgeput. Ons verhaal was zo complex, wat moest zo’n jongeman daar nou mee? En bovendien; de huisarts was volledig op de hoogte. Moest ik nu weer iemand het hele verhaal vertellen? Maar Tim luisterde aandachtig. Ook mijn klachten van angst en spanning, de zorgen die ik had, nam hij volledig serieus. In de maanden die volgden, leerde ik Tim kennen als een vriendelijk, betrokken en bekwaam persoon, nieuwsgierig en leergierig bovendien. Hij verwijderde hechtingen uit het hoofd van manlief, luisterde als ik mijn overvolle gemoed moest luchten en was bereikbaar. Ik ontwikkelde zelfs een kleine voorkeur voor Tim boven de huisarts, omdat met hem jeugdigheid en energie binnen kwamen. Een stukje hoop of licht in alle ellende. De jeugd heeft immers toekomst.

Toen die ziekte van Mart de terminale fase inging, kwam Tim samen met de huisarts op visite. Ik herinner het me nog goed; het was een prachtige dag in februari. De zon scheen uitbundig. Mart zat op één van de twee blauwe stoeltjes, die voor het huis stonden, een sigaretje te roken en keek toe hoe ik in de tuin aan de weer was. Een moment van rust, van het goede samen-zijn, van even stilte in de turbulentie die ziekte met zich meebrengt. De huisarts stelde voor dat we wel buiten konden zitten. Tim haalde de twee andere stoeltjes uit de achtertuin. Ze namen de tijd voor ons en het was goed en vreemd tegelijkertijd. Alsof er niets aan de hand was en we ‘gewoon’ een werkoverlegje ofzo hadden. Alsof onze wereld niet op zijn kop stond. Alsof de dood ons niet op de hielen zat. Op dat moment was het goed zoals het was.

In de weken die volgden, kwamen de huisarts en Tim beurtelings op de dinsdag langs voor de nodige zorg en overleg. Dat de huisarts een weekje op vakantie ging, vond ik niet erg; Tim was er om voor hem waar te nemen en ik had inmiddels alle vertrouwen in zijn kundigheid. In de week voor Mart zijn sterven was het ‘zijn’ week. Mart kon inmiddels niet veel meer. Hij was bedlegerig geworden, hij hoorde voortdurend een nare brom in zijn hoofd en zijn ogen werden door de tumor dicht gedrukt. Communiceren deed hij voornamelijk met zijn lichaamstaal. Bewust en intens nam hij afscheid van de mensen die langskwamen, de mensen van wie hij hield en die hij waardeerde. Die laatste dinsdag van zijn leven deed hij dat van Tim. Hij was zich duidelijk bewust van zijn aanwezigheid en pakte zijn handen doordringend vast. Zonder woorden bedankte hij Tim, sprak hij zijn waardering uit. Hij nam afscheid. We wisten het alle drie zonder woorden: Mart, Tim en ik.

Mart overleed in het weekend, op zaterdag. Een vreemde arts kwam langs om hem te schouwen, ik herinner het me nog vaag. Op maandagmiddag ging de bel en stond Tim voor de deur. Het ontroerde mij enorm en nog steeds. Hij kwam om afscheid te nemen van de man die hij als patiënt bijna een half jaar meemaakte. Hij toonde daarmee zijn respect en dat was precies wat ik nodig had in die moeilijke tijd. Ook daarna sprak ik Tim nog een keer. Over wat er allemaal gebeurd was, over mijn gevoelens. Over of ik het wel goed gedaan had, want dat was een vraag die in de eerste tijd na het overlijden door mijn hoofd speelde. Rouwen heet dat, de film die zich steeds weer afspeelt in je hoofd. Praten met Tim – en later met de huisarts – hielp mij in dat ingewikkelde proces.

Vlak voor Tim zijn opleiding in de huisartsenpraktijk afsloot, heb ik weer een afspraak gemaakt. Om hem gedag te zeggen en te bedanken voor alles wat hij gedaan heeft voor Mart en mij. Ik heb mijn vertrouwen in zijn kundigheid uitgesproken en hem laten weten dat ik zeker weet dat hij een goede huisarts zal worden. Ik weet niet hoe vaak een gemiddelde huisarts een situatie meemaakt, zoals bij mij en Mart. Het was sowieso een uitzonderlijke situatie. En Tim heeft als huisarts-in-opleiding daar veel van kunnen leren. Ook dat hebben we besproken en hoe wrang het ook is dat Mart zo ziek werd en moest sterven, ik vind het een mooie gedachte dat Tim deze ervaring mee kan nemen en gebruiken in het bijstaan van andere patiënten. Dat past ook bij Mart, die er ontzettend veel plezier aan beleefde om jonge collega’s op te leiden als jurist en ook via zijn dispuut genoot van de debatten en gesprekken met andere (jonge)mannen.

Dus bij deze: een ode aan Tim! En aan alle andere huisartsen-in-opleiding die met liefde voor hun vak en aandacht voor de medemens werken in de gezondheidszorg!

Afgelopen dinsdag ben ik bij de vervangende huisarts geweest. Zij heeft mij een zalfje mee gegeven. Voorlopig is het er nog niet beter op geworden. Het jeukt nog steeds als een malle. Maar ik verzet mij er niet tegen en onderga het maar in de wetenschap dat het altijd erger kan en wel weer weg zal trekken. Maar een beetje klote is het wel en dan roep ik: IK HEB EEN HEEEEEEL ZWAAAAAAR LEVEN!

Beeld: Shutterstock