Selecteer een pagina

‘U weet als u morgen weer naar huis mag ga-aan?’.

Met een duidelijk Fries accent en een flinke uithaal naar boven aan het einde van de zin, stelt de verpleegster de vraag. Vriendlief en ik kijken elkaar over het ziekenhuisbed heen geamuseerd aan om dit overduidelijke ‘frisisme‘ van de verpleegster. We zijn op bezoek bij zijn vader in het Medisch Centrum Leeuwarden waar hij een week eerder met spoed is opgenomen vanwege een infectie die hem letterlijk de adem benam. Dat bovenop de progressieve, ongeneeslijke ziekte die hij onder de leden heeft. Het was even zeer kritiek, maar hij is er doorheen gekomen dankzij medicatie en vooral het zuurstofmasker dat hem hielp met pompen. Daarom mag hij ruim anderhalve week later weer naar huis en daar zijn we maar wat blij mee.

Fries
We hebben samen veel lol om de verschillende talen en dialecten die we deze dagen spreken en aanhoren. Vriendlief heeft de grootste schik als hij mij bij groenteboer Bauke in Franeker in onvervalst Fries om ‘rjappelskiifkes’ hoort vragen. Ik vind het heerlijk, weer eens lekker en ongegeneerd ouwehoeren in mijn ‘memmetael’ en na twee dagen spreek ik Nederlands met een Fries accent. Vriendje Mark – met zijn Gronings-Friese wortels – begint er bijna van te kwispelen, zo leuk vindt hij het.

Onze neef uit Parijs met een Nederlandse vlag in zijn handen in Franeker. Een samenvatting van een week samen-zijn als veelkleurige familie.

Leeuwarden, Stiens en Blije
Het toeval wil dat wij als kinderen maar vijf kilometer van elkaar vandaan woonden. Hij in Stiens, ik in Leeuwarden. Talloze keren reed ik met bus 54 door de straat waar hij woonde, op weg naar het dorpje Blije waar mijn ouders vandaan komen en onze grootouders woonden. We hebben dus een een gezamenlijke noemer, zou je kunnen zeggen: Noord-Friesland!

Gronings
Ondertussen communiceren de ouders van vriendlief in het Gronings met elkoar. Als ze met een broer en zus erbij met elkaar praten, versta ik daar vrij weinig van. Voor de grap ga ik af en toe gezellig mee knauw’n en ik vind het wel mooi hoe ze elkaar ‘leiverd’ noemen en ‘neit’ zeggen als ze niet bedoelen. Mark spreekt ook een aardig mondje Gronings, met Fries redt hij zich aardig en in het Nederlands is hij welbespraakt – wat ook wel handig is voor een theoloog – maar er is nog een andere taal die deze week in het Leeuwardense ziekenhuis veel gesproken wordt en helaas niet zo goed door ons: Frans.

Frans en de universele taal der liefde
De oudste broer van Mark woont al jaren in Parijs en is ook overgekomen evenals zijn zoon Samir, die maar negen jaar jonger is dan ome Mark en dol op opá en omá mét accent aigu op de a’s. Zijn Nederlands is matig, dus of zijn vader vertaald of wij spreken Engels met hem. En zo worden het dagen waarop het haast wel lijkt alsof we in tongen spreken.

Maar we redden ons best en de taal van de liefde is uiteindelijk universeel: een knuffel, een kus, een hand op de knie behoeven geen nadere uitleg. Die taal verstaan we allemoal.